Een bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie of wat iets is. Je gebruikt woorden als mijn, jouw, zijn, haar, ons, onze, hun om uit te drukken dat een zelfstandig naamwoord in eigendom of in relatie staat tot een persoon, dier of entiteit.
Je ziet vaak dat een bezittelijk voornaamwoord vóór een zelfstandig naamwoord staat: “haar huis”, “onze ideeën”, “hun beslissing”. Wanneer je het zelfstandig naamwoord weglaat, kan het bezittelijk voornaamwoord zelfstandig gebruikt worden: “Dat huis is de jouw(e)”, “Ik neem de mijne terug.”
Soms hoor je in spreektaal vormen als me moeder of me fiets. Dat is informeel en geldt als een verkorte variant van mijn. Volgens taalkundige aanbevelingen gebruik je die vorm beter niet in formele teksten.
De vorm van een bezittelijk voornaamwoord hangt af van wie de eigenaar is (eerste persoon, tweede persoon, derde persoon) en of het gebruikt wordt vóór of los van een zelfstandig naamwoord. Hieronder licht ik enkele gevallen toe.
Als je spreekt over jezelf, gebruik je mijn of in informele vorm m’n. Bijvoorbeeld: “Dat is mijn boek.” Of: “Dat is m’n boek.” Bij de tweede persoon gebruik je jouw (of je in sommige informele situaties). “Is dat jouw pen?” En als je zelfstandig gebruikt: “Dat is de jouwe.”
Voor de derde persoon zijn er zijn (of z’n) en haar (of d’r). “Dat is zijn fiets.” “Dat is haar jas.” Als je het zelfstandig gebruikt: “De jouwe of de zijne?” of “Is dat de hare?”
Voor de eerste persoon meervoud gebruik je ons of onze. Je kiest ons voor het-woorden en onze voor de-woorden. Bijvoorbeeld: “ons huis”, “onze plannen”.
Voor de tweede persoon meervoud is jullie vaak de vorm die je gebruikt. “Dat is jullie kamer.” Soms zie je ook uw als formele variant in meervoud of beleefd enkelvoud. “Uw mening is belangrijk.”
Voor de derde persoon meervoud gebruik je hun. “Dat is hun auto.” De zelfstandige vorm hunne komt weinig voor en wordt vaak als archaïsch gezien.
Een bron van verwarring is het onderscheid tussen bezittelijk voornaamwoord en persoonlijk voornaamwoord. Bijvoorbeeld: jouw versus jou. Jouw is bezittelijk (“jouw boek”), jou is persoonlijk (“Ik zie jou”). Dit verschil geldt ook voor mijn / mij, en uw / u. Om te controleren of je jouw of jou moet gebruiken, kun je de zin omzetten of naar de betekenis kijken. Als het woord bezit aanduidt, gebruik je de vorm met ‘w’.
Let erop dat hun vaak verkeerd gebruikt wordt. Soms zie je “dat is van hun” – dat is geen bezittelijk voornaamwoord, maar een voorzetselconstructie met hun. Wanneer hun het bezittelijk voornaamwoord is, staat het vóór een zelfstandig naamwoord: “hun auto”.
Ook kun je letten op of het voornaamwoord zelfstandig is of niet. De niet-zelfstandige vorm staat altijd met een zelfstandig naamwoord: mijn fiets. De zelfstandige vorm staat zonder zelfstandig naamwoord: de mijne.
In formele teksten is het beter om verkorte vormen (z’n, d’r, m’n) te vermijden.
Door een juist bezittelijk voornaamwoord te gebruiken, blijft een zin duidelijk en grammaticaal kloppend. Je voorkomt onduidelijkheid over wie iets bezit. Fouten zoals “me fiets” of “dat is jou boek” kunnen de betekenis vertroebelen.
Wie schrijft of spreekt, kan zich bewuster worden van wat hij bedoelt en nauwkeurig aangeven wie de eigenaar is van iets. Door de regels toe te passen, klink je correcter en voorkom je misverstanden.
Nauwkeurige keuze en spelling van het bezittelijk voornaamwoord zorgen dat je je boodschap helder overbrengt. Wanneer je weet wie de bezitter is, let je op welke vorm je gebruikt: mijn, jouw, zijn, haar, ons, onze, jullie, hun. En als je die regels toepast, komt je zin sterker over.
Terug