Met objectief bedoel je dat je uitspraak losstaat van persoonlijke gevoelens, voorkeuren of interpretaties. Wat je vertelt is controleerbaar of meetbaar, of althans gebaseerd op waarneming die voor iedereen in gelijke omstandigheden gelijk zou moeten zijn. Als je zegt “De klok slaat twaalf uur” of “Water kookt bij honderd graden Celsius op zeeniveau”, dan ben je weg van meningen en ben je in het terrein van feiten.
Wanneer je schrijft in een wetenschappelijk rapport, een nieuwsartikel of een verslag waar het gaat om betrouwbare informatie, streef je vaak naar objectiviteit. Je probeert je woorden te kiezen zodat je niet lijkt te coloreren met je eigen gevoelens of voorkeuren. Soms doe je dat door bronvermelding, door exacte gegevens te geven, door precieze details te benoemen.
Maar volledig objectief zijn is voor mensen lastig. Iedereen observeert met een bepaalde achtergrond, met vooroordelen, met verwachtingen. In de filosofie heet dat dat onze beleving van feiten al een zekere interpretatie meebrengt.
Als iets subjectief is, dan hangt het af van hoe jij het ervaart, voelt of beoordeelt. Je brengt een oordeel, emotie of voorkeur mee in wat je zegt. “Ik vind deze film fantastisch” of “Dat schilderij raakt me” zijn uitspraken die niet door iedereen als waar of onwaar geverifieerd kunnen worden, omdat ze afhangen van wie spreekt en hoe die persoon zich voelt.
Subjectieve uitspraken kun je herkennen aan woorden als “mooi”, “interessant”, “leuk”, “slecht”, “voldoet aan mijn verwachtingen” en andere evaluerende termen. Die geven niet louter informatie, maar laden extra emotie of oordeel in. In recensies, opiniestukken, dagboekfragmenten of gesprekken komt subjectiviteit vaak voor en dat is niet verkeerd, het hoort bij hoe je je uitdrukt.
Je kunt ook onderscheid maken tussen subjectieve en objectieve argumenten. Een objectief argument baseer je op feiten of gegevens die je kunt nagaan. Een subjectief argument leunt op waardering of gevoel. Bijvoorbeeld: “De brug overspant 100 meter” is objectief; “Ik vind de brug indrukwekkend” is subjectief.
Om te bepalen wat van een uitspraak objectief of subjectief is, kun je een paar stappen volgen. Vraag jezelf eerst: kan iemand dit checken of bewijzen, onafhankelijk van wie het zegt? Als ja, dan neigt het naar objectief. Vraag daarna: staat er een waardeoordeel in? Dan zit je vaak in het subjectieve veld.
Let ook op signalen in taalgebruik: woorden als “altijd”, “nooit”, “grootste”, “meest” kunnen wijzen op sterke beweringen. Als je merkt dat je iets stelt dat niet door iedereen kan worden nagegaan, dan is het goed aan te geven dat het jouw mening is, bijvoorbeeld door “naar mijn idee”, “ik merk dat” of “volgens mij”.
Soms zie je uitspraken die deels objectief en deels subjectief zijn. Bijvoorbeeld: “De tentoonstelling duurt drie uur, en ik vond hem bijzonder inspirerend.” Het eerste deel is feitelijk, het tweede deel is jouw beleving.
Wanneer je schrijft voor school, werk of publicatie, kan het handig zijn om bewust te kiezen wanneer je objectief bent en wanneer je subjectief mag zijn. In een zakelijk rapport wil je dat je lezer je feiten gelooft; je laat je mening zoveel mogelijk buiten beschouwing. In een essay of opiniestuk daarentegen mag je subjectiever zijn: je wilt overtuigen, sfeer schetsen of je eigen stem laten horen.
Als lezer kun je aan de hand van je eigen voelsprieten vaststellen wat objectief is en wat niet: twijfel je of iets “waar” is of bedacht? Dan zit je waarschijnlijk in het subjectieve domein. Dat helpt je om kritisch te lezen en niet alles klakkeloos aan te nemen.
Zo leer je beter verstaan wat een schrijver bedoelt en wat je zélf verwacht.
Door helder te onderscheiden wat objectief is en wat subjectief, kun je schrijven dat betrouwbaarheid uitstraalt wanneer je dat wilt, en veeleisend zijn met je eigen meningen wanneer je spreekt vanuit jezelf. Je beïnvloedt dan niet onbedoeld je lezer met een oordeel dat je zelf nog niet uitgesproken hebt. Daarmee staat je tekst steviger of het nu gaat om informatie geven of om iets zeggen dat je belangrijk vindt.
Terug