Sommige uitdrukkingen in het Nederlands zijn overgeleverd uit vroegere taalvormen waarin naamvallen nog actief waren. Zulke uitdrukkingen blijven bestaan als vaste combinaties, vaak zonder dat we ons nog realiseren dat ze gebaseerd zijn op oude grammatica. De term hiervoor is ‘staande uitdrukking’. “Te allen tijde” is zo’n uitdrukking.
Omdat het Nederlandse naamvalssysteem al lang grotendeels verdwenen is, voelen we vaak niet meer aan welke vormen juist zijn. Daardoor duiken varianten op die op het eerste gezicht wel logisch lijken (zoals ten alle tijden) maar toch incorrect zijn.
Wanneer je twijfelt over een dergelijke combinatie: kun je er een lidwoord bij denken (zoals “de” of “het”)? En zou de vorm juist zijn als je dat lidwoord daarmee verbond? Bij “ten alle tijden” zouden dat “tot de alle tijden” of “tot het alle tijden” zijn, zulke constructies bestaan niet in het Nederlands. Daarom is de correcte vorm te allen tijde.
De uitdrukking te allen tijde betekent ‘altijd’ of ‘op elk moment’.
Door te kiezen voor de correcte vorm, vermijd je verwarring maar je blijft ook trouw aan de regels die onderliggend werken.
Veel schrijvers en sprekers gebruiken ten alle tijden uit gewoonte of omdat het fonetisch dichtbij ligt. Het woord “ten” komt voor in andere uitdrukkingen waar het wél correct is – bijvoorbeeld ten opzichte van, ten bate van of ten einde raad. In die gevallen is “ten” ontstaan uit een samenvoeging van “te of tot” met een verbogen lidwoord (den of der).
Maar in “ten alle tijden” werkt die achterliggende logica niet: het lidwoord past er niet, en de combinatie “tot de alle tijd” bestaat niet. De oude naamvalsvormen die erin zaten, passen in het moderne Nederlands niet meer.
Soms werkt psychologisch dat we de -n uit “allen” eraan willen vastzetten, omdat we in andere contexten de -n gebruiken (bijvoorbeeld bij personen: allen). Maar hier is “allen” geen persoonsvorm maar onderdeel van een vaste uitdrukking, en de correcte vorm handhaaft de -n uit historisch gebruik, niet uit de regels die nu gelden.
Kortom: het is verleidelijk, het is bekender, het lijkt logisch, maar toch is het onjuist volgens de standaardtaal.
Bij het schrijven let je niet alleen op vaste uitdrukkingen. Andere taalregels spelen mee in hoe correct je schrijft. Denk aan spelling, samenstellingen, lidwoorden, hoofdletters en werkwoordsvormen.
De officiële spellingregels worden vastgesteld door de Nederlandse Taalunie. Daarin vind je de Leidraad en de Technische Handleiding als leidraad voor allerlei gevallen die niet vanzelfsprekend zijn.
Bij samenstellingen kun je denken aan of je een tussen-s schrijft (bijvoorbeeld “spellingregel” of “spellingsregel”). In officiële lijsten zijn vaak varianten toegestaan, en de keuze hangt deels af van je gevoel voor klank en leesbaarheid.
Wat betreft lidwoorden: het-woorden en de-woorden kent het Nederlands. Er bestaan enkele richtlijnen (bijvoorbeeld verkleinwoorden krijgen meestal het, talen vaak het, bomen vaak de) maar er zijn veel uitzonderingen.
Ook bij werkwoorden moet je letten op vervoegingen, de verleden tijd, voltooid deelwoord. Die regels staan beschreven in de spellingregels van de Taalunie.
Als je alert bent op vaste uitdrukkingen én deze algemene regels, dan zal je tekst consistenter worden en minder gevoelig voor stijlfouten.
Kies liever voor te allen tijde dan voor ten alle tijden. Dat respecteert hoe onze taal historisch is gegroeid, zonder dat je je tekst volpropt met onjuiste varianten. Wanneer je vaste uitdrukkingen gebruikt, kijk of ze behoren tot de standaardvorm. Zo houd je je schrijfstijl helder en correct, ten alle tijden (= je kunt erop rekenen dat je tekst beter is).
Terug